Enkel jij

‘Enkel jij’ is een kortverhaal over een demonische prinses en haar moeder, de koningin van Mount Misery en alles eromheen. Volgens haar moeder is ze de favoriet van de vier kinderen. Ze is dankbaar en gretig om te bewijzen dat ze later de troon en de kroon waardig is. Als ze aankondigt dat ze gaat trainen bij de Predatory Platoon, onthult haar moeder dat ze niet de troonopvolger is en dat ze nooit van plan was om haar de volgende koningin te maken. Haar enige levensdoel als prinses is om voor haar koningin te zorgen. Deze openbaring brengt veel verdriet en nieuwe inzichten voor de dochter, die een ingrijpende beslissing neemt.

Just you is een horror/fantasieverhaal met thema’s als mentale gezondheid en existentiële angst en bevat een vleugje magie.

Het korte verhaal ‘Just you’ is gepubliceerd door Elegant Literature in hun tijdschrift ‘Wicked Wonderland’ #027 in januari 2024. Om het hele tijdschrift te lezen, ga naar Elegant Literature.

In 2025 vertaalde ik het kortverhaal zelf naar het Nederlands om in te zenden voor het magazine van EdgeZero.

Met behulp van redactie van Finn Audenaert, werd de Nederlandstalige versie van dit kortverhaal gepubliceerd in het Out Of This World online magazine: https://ootw-magazine.weebly.com/fiction/jo-neels-enkel-jij in februari 2026.

Enkel jij

Op zeldzame gelegenheden deelt Hare Koninklijke Hooghartigheid complimenten uit, zoals wanneer haar monsterlijke appetijt gestild is. 

‘Ik wilde er nooit vier,’ smakt ze terwijl ze het laatste stuk taart in haar mond propt, ‘ik was tevreden geweest met één.’
Ze wijst met een knokige vinger naar me: ‘Enkel jij.’

De woorden weerkaatsen in de marmeren troonzaal en ontsnappen langs de fakkels uit de hoge, rode glasramen in de zijwanden. Buiten hoor ik de wind huilen rond de top van de Barre Berg, maar binnen overheersen de slobberende geluiden van de koningin, die jam uit een bijna lege dessertschotel likt. Op de tafel naast haar staan lege kopjes, borden en schalen en de vloer is bezaaid met afgekloven karkassen van geroosterde dodo’s. Haar spiegeljurk is besmeurd met kruimels en plakkerige substanties. Ik zie mijn groene haren en rode ogen gereflecteerd in de bewegende scherven aan de onderkant van de jurk en ik glimlach.

Ik ben haar favoriet.

De koningin boert luid en gooit de aarden schotel door de kamer. Hij breekt in stukken tegen de dikke hoofden van mijn kibbelende, onoplettende broers. Ze delen één lichaam, maar Hare Hooghartigheid telt hen toch als twee kinderen omdat het hoofd eruit persen het lastigste deel is van een geboorte en ze het voor hen twee keer moest doen. Mijn broers jammeren, wrijven over hun reusachtige voorhoofden en verdwijnen dan snel in de trappenhal.

De koningin knort van plezier: ‘Een prachtig schot! Tien punten, vijf voor elk hoofd!’ Mijn broers zijn sterk, maar ze zijn zo dom als kwijlende baby’s en onze moeder geniet ervan hen publiek te vernederen.
Ze ploft haar voeten op een rode fluwelen voetenbank en glimlacht naar me.

Ik bewonder haar, aanbid haar, net als mijn vader deed.

Mijn vader vertelde me ooit over de eerste keer dat hij haar zag op het slagveld: een machtig wezen dat de hoofden van zijn soldaten eraf rukte, ridders doormidden hakte met haar scherpe klauwen en hun ingewanden opslurpte als spaghettislierten. Hij was op slag verliefd.

Ik wou dat ik meer op haar leek. Ik ben niet zo hardvochtig als zij, noch zo sterk of gevaarlijk als haar andere kinderen, maar toch houdt ze het meest van mij. Ze ziet mijn potentieel, zegt ze, en ik wil haar bewijzen dat ik bekwaam genoeg ben om ooit koningin te worden van het land.

Nu ze goed gevoed en goedgeluimd is, grijp ik mijn kans om haar aan te spreken. Ze strekt haar verschrompelde tenen en zakt dieper weg in de fluwelen bekleding, klaar voor een dutje. Ik raap al mijn moed bijeen en verkondig: ‘Moeder, ik wil reizen, vechten in veldslagen en mijn waarde aan u bewijzen!’

Ze reageert niet, maar haar neus trekt even samen.

‘Ik heb alle voorbereidingen getroffen en ik kan morgenochtend vertrekken samen met het Krankzinnige Konvooi, uw eliteleger.’

Haar ogen vliegen open in woede, haar neusvleugels bollen op en trillen, ze groeit en neemt haar ware Wendigogedaante aan. Ze torent als een donkere schaduw boven me uit en dondert: ‘Hoe durf je!’
De slangendienaren, die aan weerszijden van de hal gestationeerd staan, panikeren en slikken uit pure angst hun eigen staarten in.

‘Wil je je koningin, je moeder verlaten?’

De troonzaal bevriest, de fakkels doven uit en een donkere mist verzamelt zich rond haar. Mijn keel plakt dicht, mijn ledematen vriezen vast aan de stenen tegels onder me. Ik kan niet meer wegkijken van haar witte, lege ogen, haar scherpe mond, maar ik slaag er nog net in mijn hoofd te schudden. Ik dacht dat ze trots zou zijn, maar ik heb me gruwelijk vergist.

Met één lange arm gooit ze de eettafel naar de andere kant van de ruimte, waar de borden en het zware hout tegen de wand verbrijzelen. Bruine en rode saus spatten op het wandtapijt, het pronkstuk van de troonzaal. Het geweven tafereel toont de executie van de rebellen die haar heerschappij betwistten.
Ze krijst in de duisternis van de troonzaal tot haar frustratie eruit is en wendt zich dan tot mij met een meer beheerste stem.

‘Je stelt me teleur, ondankbaar kind.’

Schaamte vult mijn lichaam, de haat in haar ogen schroeit mijn huid en ik krimp in een poging eraan te ontsnappen. Ik klamp me wanhopig vast aan een gelukkige herinnering.

Ik denk aan hoe ze me naar haar kamer riep nadat mijn vader stierf, tientallen jaren geleden. Ze gaf me bergen snoepgoed en knuffelde me onder de zware dekens van haar hemelbed. We vertelden elkaar urenlang verhalen en fantaseerden dat we samen over het land zouden regeren. Toen ik vroeg: ‘Hou je van mij, mama?’, fluisterde ze in mijn oor: ‘Jij, mijn kleine demon, jij bent de speciaalste. Ik heb je nodig.’ De haren uit haar neusgaten kietelden mijn voorhoofd. ‘Enkel jij.’ Die gedachte maakt me sterker, het is de beste herinnering die ik heb.

Als Hare Koninklijke Hooghartigheid besluit dat ik genoeg heb afgezien, transformeert ze weer naar een menselijke gedaante en bevrijdt me uit haar verstikkende angstmist. Ze bestudeert haar handen, draait even aan haar gouden ring met rode robijn ter grootte van een kippenei, woelt door haar gigantische, groene bos haar en ziet dan pas hoe ik hijgend en zielig op de grond lig.

‘Vertel me nu eens, kleine demon, waarom zou je zoiets zeggen? Wie heeft je hiertoe aangezet? Was het je verraderlijke zus, of die nutteloze vleeskoppen van broers?’

Ik schud mijn hoofd, ik heb al jaren niet meer met hen gesproken. Mijn zus vertrok lang geleden, net nadat onze vader stierf. In tegenstelling tot moeder is zij niet eng of monsterlijk, ze is adembenemend mooi. Moeder vindt charme en schoonheid minder belangrijke eigenschappen, maar mijn zus is het dodelijkste monster van ons vieren. Uren heb ik haar bestudeerd, hoe ze alle soorten wezens naar zich toe lokte met haar zielsverpletterende blik, haar hemelsblauwe vel, haar onweerstaanbare kus. Zelfs net voor ze hen heelhuids opslokte, waren ze nog in een trance van gelukzaligheid. Verbluffend wezen, mijn zus, ze had de volgende koningin kunnen zijn, zoals het volk eigenlijk hoopte, maar in de plaats daarvan verliet ze ons. Ze bleek een ondankbaar kind te zijn, een nutteloze erfgename.

Mijn broers zijn er wel nog, maar Hare Majesteit negeert hen meestal, dus doe ik dat ook.

‘Afgrijswekkende Koningin, Majesteuze Moeder, wil je niet dat ik leer om te vechten voor ons land en ervaring opdoe in de strijd? Die talenten heb ik toch nodig wanneer ik zelf ooit koningin zal worden?’

Ik durf niet op te kijken, maar hoor haar vreugdeloze lach. Ze neemt mijn kin in haar klauwen zodat ik haar neerbuigende blik moet aanschouwen en blaast een kus van haar rode lippen naar de mijne.

‘Waarom denk je dat jij koningin wordt?’

Ik ben even sprakeloos, stomverbaasd. Mijn wangen voelen heet en ik stotter: ‘W-… Waarom niet?’

De woorden ontvluchten mijn mond voor ik ze kan inslikken en nog andere volgen: ‘Je houdt van me en ik ben het enige goede kind, dus er is niemand anders. Ik kan het, moeder, op een dag, met wat training …’

‘Genoeg,’ beveelt ze en slaat me in het gezicht.

Mijn ogen vullen zich met tranen, maar ik dwing ze terug. Ik mag niet wenen, ik mag niet zwak zijn.

‘Ik heb geen opvolger nodig,’ vervolgt ze, ‘kinderen zijn de knoopsgaten die hun ouders bij elkaar houden, kleine demon, dat is het enige waarvoor ze dienen. Gelukkig ben ik je enige ouder, dus ik heb maar één kind nodig.’

Ze glimlacht terwijl ze naar de reusachtige gouden knoop wijst die op de voorkant van haar spiegeljurk genaaid is. Ik staar naar de knoop die haar ruime boezem wanhopig bijeenhoudt aan een paar dunne draden en denk: ‘Is dat het enige waarvoor ik dien?’

De slangendienaars ontvriezen uit hun angststaat en kokhalzen terwijl hun staarten langzaamaan weer verschijnen uit hun keel. Hun hoeden staan scheef en de kettingen rond hun staarten druipen van speeksel en gif. Hare Koninklijke Hooghartigheid kijkt er afkeurend naar en is even afgeleid van mij en mijn kersenrode wang.

‘Ik dacht dat je me nodig had, moeder.’

Ze staart me boosaardig aan.

‘Jouw enige levensdoel is om er voor mij te zijn. Heersers in dit land grijpen hun macht, ze krijgen ze niet cadeau.’

Ik weet dat ik moet zwijgen, maar ik kan me niet inhouden: ‘Maar u heeft ze gekregen na vaders dood, u heeft ze niet genomen, u bent erin getrouwd.’

Mijn gezicht vangt nog een rake klap, deze keer van de vuist met de gigantische robijn. Het bloed gutst uit de put die hij boven mijn oog achterlaat.

‘Jij idioot. Jouw vader was zwak en incompetent en ik nam hem zijn kasteel af, zijn titel en zelfs zijn leven. Iedereen weet dat, zelfs je broers en zus weten dat. Jij bent de enige die te dom is om dat te beseffen. Je bent precies waar je hoort te zijn, één stap onder me, opkijkend naar je koningin, voor altijd.’

Ik kan de tranen niet meer stoppen, ik huil en ik zie hoe ze walgt van me. Bloed en tranen stromen over mijn gezicht, besmeuren mijn kledij, bevlekken de vloer. Ze beveelt me te stoppen, maar dat kan ik niet. Ik voel mijn hart breken, mijn ingewanden openscheuren, mijn huid branden. De troonzaal staat ondersteboven en ik hang naast de kroonluchter en schreeuw, snik, huil en kreun tot ik leeg ben. Leeg en alleen op de stenen vloer.
Vroeger was ik zo bang om alleen te zijn in dit gruwelijke land waar monsters heersen en het leven niets betekent. Nu besef ik eindelijk dat ik altijd al alleen was. Ze heeft gelijk, ik ben niet sterk of adembenemend mooi, maar ik ben loyaal en liefhebbend. In een land waar de waanzin overheerst, zijn loyaliteit en liefde uiterst waardevolle aanwinsten.

Ik sluip weg als de ochtendvorst het kasteel bedekt. Ik alleen, zonder het Krankzinnige Konvooi. De wind snijdt in de rauwe wond op mijn gezicht als ik van de Barre Berg afdaal in de mist van het laagland.

Ik had haar kunnen vermoorden, ik had haar in haar slaap kunnen neersteken, maar het zou me niet genoeg voldoening geven. Haar gejammer wel. Het hartverscheurende geklaag stijgt op uit het kasteel nu ze ontdekt heeft dat ik haar heb verlaten. Ik hoorde dat geluid al eerder, toen mijn zus ons verliet, daarom wist ik dat dit haar het meeste zou kwetsen.

Mijn zus blijkt toch geen ondankbaar kind te zijn, integendeel, ze zal een geweldige koningin worden, daar zorg ik wel voor. En ooit zal ik wraak nemen, ze zal zoet zijn als kleverige jamtaartjes en ijskoud geserveerd worden aan jou, moeder, enkel jij.