De wimpel

Foto door Алексей Вечерин


Dankzij een collega schrijver werkte ik mee aan het project ‘De wimpel’. Auteur Finn Audenaert daagde zijn vrienden en collega’s uit om een einde te schrijven aan één prompt. Dit resulteerde in een indrukwekkende hoeveelheid diverse verhalen, ondanks dat ze allemaal vertrokken vanuit hetzelfde begin. Het is een verhaal over de wimpel, die de eigenaar absolute macht verschaft, en Karl (Udo in de oorspronkelijke prompt) de leerlooier, die ervan droomt de wimpel te bezitten. De resultaten vind je hier: https://ootw-magazine.weebly.com/fiction

Hieronder vind je mijn verhaal in samenwerking met Finn Audenaert:

Op het bevel van Bernhard keerde Arianne haar zicht inwaarts en opende haar derde oog. Voor zich zag ze de troonzaal en de satijnen schoenen van Bernhard, maar in haar geest kronkelde een witte mist die al snel de vorm aannam van een man met een wandelstok die strompelde door een koude, donkere steeg in het hart van de stad. Zijn vettige, bruine haren plakten aan zijn bleke voorhoofd. Hij had bruine wenkbrauwen, een gebogen neus en beginnende rimpels onder zijn ogen. Naast zijn onverzorgde verschijning verrieden ook de lompen om zijn gekromde lichaam zijn armoede en gebrek aan status. Boven zijn ingedeukte wangen schitterden twee donkerbruine ogen met een verrassende vastberadenheid. Ariannes visioenen vergisten zich nooit: deze man zou vandaag de Wimpel proberen bemachtigen.


Iedereen wilde de Wimpel, er was geen man in het land die er niet ‘s nachts van droomde. Niemand behalve zijzelf wist hoe het ooit gekomen was dat zo’n dun stuk textiel absolute macht vertegenwoordigde. Ze wisten alleen dit: wie de Wimpel veroverde, kon zijn wil aan anderen opleggen.


Arianne volgde de man in haar visioen en hoorde zijn naam weerklinken in haar gedachten. ‘Karl’ heette hij, maar anderen hadden hem van kindsbeen af ‘Kromme Karl’ genoemd, een bijnaam die als een parasiet aan hem was blijven kleven doorheen zijn leven. Op zijn achtste hadden enkele jongens op straat hem lachend voor een kar geduwd. De karrendrijver had nog geroepen, had het paard teruggetrokken, maar het was te laat. Het wiel van de kar brak Karls rechterbeen. Sindsdien groeiden zijn botten krom als een sikkel.


Daardoor was het later vreselijk moeilijk geweest om werk te vinden en te houden. Hij was uiteindelijk vlezer geworden in de leerlooierij. In de vochtige hal, waar het naar bloed en ammoniak rook, legde hij onthaarde, gesmarte en gebroeide dierenhuiden op een bolle stenen tafel en sneed het vlees eraf. Zijn rug brandde, zijn been trilde, maar enkel rechtopstaand kon hij voldoende kracht zetten op het mes. Zijn hele leven was er een van afgesneden resten en afgeschuurd vel. Waar hij ook ging, lachten mensen hem uit en sisten ze ‘misbaksel’ in het passeren op straat. Ze leken ervan overtuigd dat wie krom was zeker ook dom was en ze haalden er plezier uit hem te beliegen en te bedriegen. Steeds opnieuw was hij teleurgesteld in de mensen rondom hem en vroeg hij zich af waarom ze zo wreed waren. Hij leerde om onzichtbaar te zijn door zich te verhullen in schaduwen en muisstil door ruimtes te bewegen. Toch brandde er een passie in hem, een onstilbare honger naar waardigheid, een wilskracht die hem deed hopen dat hij ooit aan de top zou staan van de hiërarchie.
Die hoop had hem in de ban gebracht van de Wimpel.


Hij was zijn misdaad al jaren aan het plannen. Elke ochtend om klokslag zes uur waggelde hij met zijn wandelstok door de kronkelige steegjes van Rothenburg ob der Tauber. Ondanks de pijn in zijn rechterbeen maakte hij met opzet deze omweg. De leerlooierij waar hij aan de slag was bevond zich aan de andere kant van de stad, maar Karl wilde elke ochtend de blauw-wit-geblokte Wimpel zien wapperen op de toren van het Topplerschlösschen. De snelle bewegingen van de gouden cirkel midden op de Wimpel hypnotiseerden hem en wakkerden zijn verlangen aan om de Wimpel te bezitten.

Nu was de dag aangebroken. Vandaag zou hij eindelijk tot boven in die toren raken. Hij stelde zich voor hoe de stad hem zou groeten, hoe zijn naam met eerbied uitgesproken werd. Zijn eerste bevel zou trouwens de leerlooierij gelden: iedereen moest eruit, behalve Inneke. Zij was de enige die ooit vriendelijk tegen hem was geweest. Misschien maakte hij haar wel meesteres van ambachten. Het land zou ervan opkijken: een vrouw aan de macht! Maar de echte macht, dacht hij glimlachend, zou bij hem liggen.

In het afgelopen jaar waren al twaalf doden gevallen – twaalf sterke mannen met scherpe zwaarden hadden bruut geweld gebruikt om de toren te bestormen en alle twaalf waren ze bloedig neergehakt door de garde van Bernhard de Beveler. Dit had Karl tot het inzicht gebracht dat sluwheid belangrijker zou zijn dan kracht als hij de Wimpel wou veroveren. Hij zou de bewakers trachten te omzeilen, niet verslaan. De dag dat hij niet langer ‘Kromme Karl’ zou zijn, maar ‘Karl de Krachtige’, was aangebroken.
 
#
 
Arianne sloot haar ogen en keerde terug naar het hier en nu. Ze stond in de troonzaal naast Bernhard en zakte trillend in de stoel die voor haar was klaargezet. Haar gezicht en rug waren bezweet, haar handen ijskoud.
‘Wel?’ vroeg de heerser ongeduldig.
‘Zijn naam is Karl, heer Bernhard.’
‘Karl?’
De heerser trok zijn bossige wenkbrauwen samen en drie rimpels golfden zijn voorhoofd.
‘Ik ken geen Karl.’
Arianne knikte en beschreef het visioen van de onopvallende, schuin lopende vlezer die ervan droomde heerser te worden.
‘Denkt hij echt dat hij een kans maakt?’ schertste Bernhard, maar na het zien van Ariannes uitdrukking veranderde zijn toon. ‘Werkelijk? Die simpele mens?’
Arianne streek haar lange, donkerrode gewaad plat en stond op van de stoel.
‘Net daarom, heer Bernhard, omdat hij simpel is. Hij is niet groots, hij is niet machtig, hij valt niet op. Niemand verwacht dat iemand als hij een poging zal wagen, dus niemand zal hem verdenken  van zulk risicovol gedrag. Hij kan bij wijze van spreken simpelweg binnenwandelen.’

Arianne liet de verbouwereerde heer achter in zijn gouden troon, beende de zaal uit en grinnikte. Uiteraard was de kans niet groot dat deze ‘Karl’ tot in de toren zou raken, maar ze haalde er plezier uit om Bernhard ongerust te maken. Ze beklom de wenteltrap tot ze helemaal boven kwam, in de ronde kamer waar de Wimpel was, en daar haar plaats opnieuw innam als bewaker. Er wachtte een zilveren wolf naast haar houten zetel. Arianne streek met een afwezige beweging over zijn kop en staarde naar de Wimpel vanuit de harde zitplaats. Het ongemak van het zitvlak en de stekelige armleuningen hielden haar alert tijdens haar wacht. Ondanks hun bewezen nut vertrouwde ze de bewakers uit Bernhards garde niet volledig. Ook zij konden het in hun hoofd halen de Wimpel te stelen en Arianne wist als geen ander hoe makkelijk mannen bedwelmd werden door de belofte van allesoverheersende macht. Daarom was zij het ultieme obstakel voor dieven en schurken. Zij, haar magie en haar wolf. 

‘Karl,’ mijmerde ze, ‘wat zou een simpele leerlooier als hij bedenken om hier binnen te raken?’ De wolf likte zijn pels schoon en het zilver weerkaatste in de spiegel die aan de wand hing tegenover hen. Arianne bekeek zichzelf erin, haar eigen blik kaatste terug: de sluier van magie, de scherpe schouders, de vastberaden mond en daarachter de twijfel. Zou iemand als Karl anders regeren? Of zou de Wimpel ook hem bederven, zoals het bij zo velen had gedaan? ‘Hij zou alvast niet gruwen van het idee van een vrouw aan de macht als ik zijn gedachten mag geloven.’ 

Ze diende de huidige Wimpelaar, Bernhard de Beveler – of de Barbaar zoals ze hem stiekem noemde – al meerdere jaren en was over het algemeen teleurgesteld in zijn capaciteiten. Bernhard had destijds indrukwekkende leiderschapskwaliteiten vertoond toen hij de Wimpel kwam roven uit het kasteel van Làrde. Hij was moedig, empathisch en zijn garde keek naar hem op. Helaas, zoals bij alle Wimpelaars voor hem, daalde de macht naar zijn bierbuik – en lager – kort nadat hij de Wimpel had verworven. Alleenheerser zijn maakte mannen lui, ze vonden het niet meer nodig om voor hun volk te zorgen of te strijden voor hun idealen – ze wilden uitsluitend eten, zuipen en neuken, het liefst alle drie tegelijk, zoals tijdens Bernhards beruchte banket-orgieën.

Het bleek geen zwakte van de rijken te zijn, dit wegzakken in egoïsme en hedonie; de Wimpel had ook bezitters gehad van lagere stand. Zelf smids, kunstenaars, filosofen en penningmeesters bleken na een maandje met een kroon op hun hoofd even onverschillig tegenover armoede en geweld als elke andere man.

Het was haar taak als magiër om een waardige heerser te vinden voor dit land. Haar orde der magiërs vertrouwde haar om stabiliteit en rechtvaardigheid te handhaven, net zoals haar medemagiërs deden elders. Als ze hun brieven mocht geloven, was ze niet de enige die moeite had met deze opdracht. In Isilië vochten de edele mannen bijna dagelijks onderling om meer macht te vergaren en in Krillàn werden heersers jaarlijks vermoord door hun familieleden. Arianne was zo listig geweest de macht toe te wijzen aan een object in plaats van een mens. Mensen waren zo makkelijk uit te moorden en zo moeilijk te beschermen; ze hadden altijd hun eigen willetje. Wimpels, daarentegen, kon je in een toren plaatsen en daar houden zonder dat ze zich een makkelijk doelwit maakten door elke nacht met een vreemde in bed te liggen. Vandaag was het een vlezer, morgen was het misschien een muzikant of de hofnar. De drang naar macht was oneindig voor mensen.
Misschien zou het een interessant experiment zijn om deze zielepoot aan de macht te zien, bedacht Arianne. Iemand die heel zijn leven heeft gevoeld hoe het is om uitgesloten te worden en vernederd en benadeeld, zou misschien een inzicht hebben dat anderen niet hebben: dat niemand het verdient om zo behandeld te worden. Zou hij de lokroep van het egoïsme kunnen weerstaan?

Daarbij begon Bernhard haar te irriteren; waar hij in het begin ontzag had voor haar en haar magie, steeds om haar advies vroeg en haar aanbevelingen ter harte nam, had hij zich nu in het hoofd gehaald dat hij effectief de machtigste persoon in dit land was. Onlangs had hij gedreigd haar wolf te verbannen omdat ze weigerde een gouden balzaal te toveren voor hem. Na haar scherpe waarschuwing dat haar magie niet bedoeld was voor herdecoratie-projectjes had hij haar weggewimpeld met zijn hand. De woede kolkte nog steeds in haar borstkas als ze eraan dacht.
‘Ja, misschien is het tijd voor een nieuwe heerser.’

Glimlachend sloot ze haar ogen en concentreerde zich. In haar geestesoog vormde zich opnieuw de figuur van Karl, de strompelende, gejaagde man die zich verstopte voor een garde bewakers op zijn weg naar de toren van het Topplerschlösschen. Hij droeg een krioelende zak met zich mee – hoogst interessant. Arianne volgde zijn bewegingen; hij was inderdaad bijna onzichtbaar. Hij speelde met onderbelichte hoeken en verstopte zich in nissen en kon zo stil staan als een standbeeld wanneer de garde voorbij kwam. De bewakers, gewaarschuwd door Bernhard de Beveler over het dreigende gevaar, keken aandachtig rond zich, spiedend naar elke menselijke figuur die de verwachte vijand kon zijn, maar hun vizier beperkte hun zicht en het kletteren van hun harnas verried hun positie bij elke stap.

Tot haar verbazing lukte het Karl, ondanks zijn beperkingen en zijn wandelstok om voorbij de wachten te sluipen, de kasteeldeuren door. Hij verdwaalde even in de oostelijke vleugel van het kasteel en kroop nipt op tijd achter een borstbeeld van Bernhard toen raadsman Vlieder de eetzaal verliet, maar vond uiteindelijk de ingang naar de toren. Eenmaal op de trappen loste hij een kolonie ratten als afleidingsmanoeuvre en glipte als een waggelende schaduw voorbij de onthutste bewakers.

Ariane opende haar ogen toen hij de deur bereikte naar de ronde kamer; een seconde later stond Karl te gapen naar de Wimpel. Hij was er zo door betoverd dat hij haar eerst zelfs niet leek op te merken. De gloed van de zilveren wolf trok uiteindelijk zijn aandacht en bij het zien van de grote, scherpe tanden in de hijgende bek drukte hij zich angstig tegen de muur.
‘Dag Karl,’ zei Arianne geamuseerd.
Hij wierp heel snel een blik op haar, alvorens zich opnieuw te focussen op het beest.
Arianne hield haar hand op en haar wolf ging liggen en stopte met grommen, wat de man enigszins gerust leek te stellen. Hij kon alsnog niet op woorden komen om Arianne aan te spreken, maar liet zich zakken tot op de grond en knielde voor haar. Zo slim was hij dus wel.
‘Je bent tot hier geraakt, Karl, en je wil uiteraard de Wimpel.’
De schrale man keek op en knikte bedeesd.
‘Vertel me dan, Karl, waarom je denkt dat je een goede heerser zou zijn?’
Zijn mond viel open, zijn voorhoofd rimpelde. Hij was even sprakeloos, net zoals alle Wimpeldieven die hem waren voorgegaan.
Na een korte stilte antwoordde hij.
‘Ik ben slim?’
Het klonk eerder als een vraag dan een mededeling. Arianne zuchtte teleurgesteld en bleef hem aankijken, hopend op iets meer. Tot haar vreugde herpakte hij zich, alsof hij zich plots herinnerde dat hij hier wel al over had nagedacht.
‘Machtige vrouwe, ik weet wat het is om te leven in dit land. Ik ken alle diepe, duistere geheimen van mijn volk. Ik weet waar de armen kruimels rapen als de prijzen stijgen van het brood. Ik weet welke geneesheren nepremedies verkopen aan torenhoge prijzen. Ik heb gespeeld met de wezen op straat en ben verjaagd door de kasteelgarde samen met de misvormden en de zieken. Ik weet welke mannen hun vrouw en kinderen slaan en ik weet welke vrouwen hun man vergiftigen. Ik ken de aarde van ons land, de stenen waarmee we onze huizen bouwen, ik ken het vuur dat ons eten bakt en het vlees dat onze magen vult.’
Arianne knikte en haar ene mondhoek trilde.

‘Weten is één ding, je moet er ook iets aan doen.’
Karl twijfelde, wreef het vettige haar uit zijn ogen en knikte dan vastberaden.
‘Als ik de kans krijg, edele vrouwe, dan zal ik elke dag van mijn heerschappij wijden aan het verbeteren van dit land.’


Hij leek oprecht, vond Arianne, een volksheld in wording. De intentie om het goed te doen was er alvast, maar of hij zijn belofte kon vervullen, daar was ze niet zeker van. Veel slechter dan Bernhard de Barbaar kon het niet worden. Ook hij had gezworen om voorspoed te brengen, om een voorbeeld te zijn voor zijn volk. Ze kon niet alle mannen over dezelfde kam scheren, toch? Minstens één zou moeten deugen.


Arianne stond op uit haar splinterige zetel en gebaarde plechtig naar de Wimpel. Met één oog op de wolf hobbelde Karl ernaartoe, aarzelde heel even, maar greep dan de blauw-wit geblokte stof met twee gretige handen.
 
#
 
‘Karl de Krachtige’ noemde hij zichzelf. Hij joeg Bernhard het kasteel uit en verving de oude garde door een nieuwe die hij beval om armen, zieken en beperkten te helpen in plaats van ze te verjagen. Op aanraden van Arianne werd wekelijks voedsel bedeeld aan de mensen uit de stad die het zich niet konden veroorloven. Ze maakten plannen om het oogsten te verbeteren, de wetenschap verder te ontwikkelen, zieken te helen en criminele activiteiten te verlagen.


Arianne schreef brieven naar haar mede-magiërs waarin ze vol lof sprak over de gebroken, arme man die ze heerser had gemaakt. Eindelijk had ze ontdekt wat van een man een goede leider maakte: hij kwam uit de allerlaagste rang van de samenleving. Hij had het ergste van de wereld gezien en zich alsnog gewijd aan het verbeteren ervan.


Waar ze geen rekening mee gehouden had, waren Karls soms eigenaardige ideeën over hoe een betere wereld eruit zou zien. Hoewel hij empathisch was tegenover de meeste kwetsbaren in zijn land, was hij niet vergevingsgezind voor de mensen die hem zijn leven lang slecht behandeld hadden. Diep vanbinnen was hij bitter en wraaklustig. Kromme Karl kon niets met die gevoelens, hij was afhankelijk van het medelijden van anderen. Karel de Krachtige, daarentegen, was de bezitter van de Wimpel, en kon zijn wil aan iedereen in zijn land opleggen.


Arianne keek vanop het balkon boven de troonzaal met lede ogen toe hoe nog een dozijn gespierde mannen gebonden en bebloed over de vloer voor de troon gesleept werden. Het waren de laatste leerlooiers, zij die gevlucht waren toen ze hoorden wat er met hun kompanen was gebeurd. Ze mankten en kreunden van pijn. Karl stond voor hen, zijn silhouet groot in het zonlicht dat door de hoge ramen viel, een gouden kroon op zijn vers gewassen lokken. Zijn mondhoeken krulden en zijn ogen glinsterden. In diezelfde ogen waar Arianne dacht kracht en mededogen gezien te hebben, zag ze nu de verblindende gloed van absolute macht.


‘Zij hebben mij gebroken.’
Karl de Krachtiges stem was koud en hard en vulde de zaal.
‘Zij lachten met mijn gebreken, ze vernederden me, belogen en bedrogen me. Laat ze voelen wat ik voelde, laat ze doorstaan wat ik heb doorstaan.’
De toeschouwers juichten toen de bevelen klonken.
‘Maak ze kapot!’
‘Sla ze dood!’


Arianne draaide zich om en onttrok zich aan dit wrede schouwspel van Karl – Karl de Krankzinnige. Ze zuchtte diep, schudde haar hoofd en slofte de wenteltrap op.


Samen met de scheenbenen van de veroordeelden werd ook haar hoop op een betere toekomst voor dit land verbrijzeld. De schreeuwen van de leerlooiers overstemden het gegil van het publiek. Geen enkele man kon weerstaan aan de macht van de wapperende gouden cirkel op de blauw-wit-geblokte Wimpel. Geen enkele.


Het verhaal vind je ook hier: https://ootw-magazine.weebly.com/fiction/finn-audenaert-en-jo-neels-de-wimpel

Bedankt aan Finn Audenaert voor deze fijne samenwerking! Lees meer verhalen van Finn via https://sfcafeleuven.jouwweb.nl/archief-2/verhalen