Category: Publicaties / nominaties / prijzen

Bekijk mijn publicaties, de verhalen en gedichten die een nominatie of een prijs wonnen.

  • De Wimpel Anthologie

    De Wimpel Anthologie

    Mijn versie van ‘De Wimpel‘ in samenwerking met Finn Audenaert kun je nu ook lezen in het samengestelde boek ‘De Wimpel’: veertig vertellingen, één wimpel, samengesteld door Finn Audenaert.


    Dit boek kun je kopen via de Slegte: https://www.deslegte.com/de-wimpel-5426970/

  • Competitions

    Competitions



    I regularly enter into short story writing competitions online! Here are the ones that made the longlist, shortlist, received honorable mentions or got published! If my stories get published online, they will also be published on this website, so you can read them.

    • 30/01/2024 Poetry competition stad Deinze – Published – Huid (Dutch)
    • 01/02/2024 Elegant Literature – Wicked Wonderland – Published – Just you
    • 01/05/2024 Elegant Literature – Silent Storms – Published – The Dollmaker’s Derision
    • 20/04/2025 Verhaal van de Maand – 2e plaats – Nog één uur (Dutch)
    • 10/05/2025 Verhaal van de Maand – Shortlist – Bacteriële affectie (Dutch)
    • 14/05/2025 Mslexia – Longlist – Bird God
    • 01/06/2025 Elegant Literature – Ghostly Gardens #043 – Honorable mention – Where my sister lives
    • 01/02/2026 Elegant Literature – Melodies & Memories #051 – Honorable mention – Siren Song
  • Huid

    Huid

    Het gedicht ‘Huid’ werd genomineerd voor de dichtbundel die uitkwam naar aanleiding van de Hilarion Thans wedstrijd van de stad Deinze in 2024. Het gedicht gaat over bodyshaming en fatshaming, twee fenomenen typisch aan onze patriarchale samenleving. Vrouwen zijn zwakker als ze door de maatschappij gedwongen worden om (enkel) te focussen op hun uiterlijk, nog meer als het ideale lichaam klein, mager, fragiel en dus gemakkelijk te domineren is. Dit gaat niet over gezondheid – zorgen voor je lichaam en gezond leven is geweldig! Maar een gezond lichaam is meestal niet een uitgehongerd, mager lichaam. Het belangrijkste is dat je luistert naar je lichaam, dat je het geeft wat het nodig heeft, of dat nu sport is of eten of verzorging of rust. Zorg goed voor jezelf en zorg goed voor elkaar. Het enige dat er toe doet is of jij je goed voelt in jouw vel.

  • De wimpel

    De wimpel

    Foto door Алексей Вечерин


    Dankzij een collega schrijver werkte ik mee aan het project ‘De wimpel’. Auteur Finn Audenaert daagde zijn vrienden en collega’s uit om een einde te schrijven aan één prompt. Dit resulteerde in een indrukwekkende hoeveelheid diverse verhalen, ondanks dat ze allemaal vertrokken vanuit hetzelfde begin. Het is een verhaal over de wimpel, die de eigenaar absolute macht verschaft, en Karl (Udo in de oorspronkelijke prompt) de leerlooier, die ervan droomt de wimpel te bezitten. De resultaten vind je hier: https://ootw-magazine.weebly.com/fiction

    Hieronder vind je mijn verhaal in samenwerking met Finn Audenaert:

    Op het bevel van Bernhard keerde Arianne haar zicht inwaarts en opende haar derde oog. Voor zich zag ze de troonzaal en de satijnen schoenen van Bernhard, maar in haar geest kronkelde een witte mist die al snel de vorm aannam van een man met een wandelstok die strompelde door een koude, donkere steeg in het hart van de stad. Zijn vettige, bruine haren plakten aan zijn bleke voorhoofd. Hij had bruine wenkbrauwen, een gebogen neus en beginnende rimpels onder zijn ogen. Naast zijn onverzorgde verschijning verrieden ook de lompen om zijn gekromde lichaam zijn armoede en gebrek aan status. Boven zijn ingedeukte wangen schitterden twee donkerbruine ogen met een verrassende vastberadenheid. Ariannes visioenen vergisten zich nooit: deze man zou vandaag de Wimpel proberen bemachtigen.


    Iedereen wilde de Wimpel, er was geen man in het land die er niet ‘s nachts van droomde. Niemand behalve zijzelf wist hoe het ooit gekomen was dat zo’n dun stuk textiel absolute macht vertegenwoordigde. Ze wisten alleen dit: wie de Wimpel veroverde, kon zijn wil aan anderen opleggen.


    Arianne volgde de man in haar visioen en hoorde zijn naam weerklinken in haar gedachten. ‘Karl’ heette hij, maar anderen hadden hem van kindsbeen af ‘Kromme Karl’ genoemd, een bijnaam die als een parasiet aan hem was blijven kleven doorheen zijn leven. Op zijn achtste hadden enkele jongens op straat hem lachend voor een kar geduwd. De karrendrijver had nog geroepen, had het paard teruggetrokken, maar het was te laat. Het wiel van de kar brak Karls rechterbeen. Sindsdien groeiden zijn botten krom als een sikkel.


    Daardoor was het later vreselijk moeilijk geweest om werk te vinden en te houden. Hij was uiteindelijk vlezer geworden in de leerlooierij. In de vochtige hal, waar het naar bloed en ammoniak rook, legde hij onthaarde, gesmarte en gebroeide dierenhuiden op een bolle stenen tafel en sneed het vlees eraf. Zijn rug brandde, zijn been trilde, maar enkel rechtopstaand kon hij voldoende kracht zetten op het mes. Zijn hele leven was er een van afgesneden resten en afgeschuurd vel. Waar hij ook ging, lachten mensen hem uit en sisten ze ‘misbaksel’ in het passeren op straat. Ze leken ervan overtuigd dat wie krom was zeker ook dom was en ze haalden er plezier uit hem te beliegen en te bedriegen. Steeds opnieuw was hij teleurgesteld in de mensen rondom hem en vroeg hij zich af waarom ze zo wreed waren. Hij leerde om onzichtbaar te zijn door zich te verhullen in schaduwen en muisstil door ruimtes te bewegen. Toch brandde er een passie in hem, een onstilbare honger naar waardigheid, een wilskracht die hem deed hopen dat hij ooit aan de top zou staan van de hiërarchie.
    Die hoop had hem in de ban gebracht van de Wimpel.


    Hij was zijn misdaad al jaren aan het plannen. Elke ochtend om klokslag zes uur waggelde hij met zijn wandelstok door de kronkelige steegjes van Rothenburg ob der Tauber. Ondanks de pijn in zijn rechterbeen maakte hij met opzet deze omweg. De leerlooierij waar hij aan de slag was bevond zich aan de andere kant van de stad, maar Karl wilde elke ochtend de blauw-wit-geblokte Wimpel zien wapperen op de toren van het Topplerschlösschen. De snelle bewegingen van de gouden cirkel midden op de Wimpel hypnotiseerden hem en wakkerden zijn verlangen aan om de Wimpel te bezitten.

    Nu was de dag aangebroken. Vandaag zou hij eindelijk tot boven in die toren raken. Hij stelde zich voor hoe de stad hem zou groeten, hoe zijn naam met eerbied uitgesproken werd. Zijn eerste bevel zou trouwens de leerlooierij gelden: iedereen moest eruit, behalve Inneke. Zij was de enige die ooit vriendelijk tegen hem was geweest. Misschien maakte hij haar wel meesteres van ambachten. Het land zou ervan opkijken: een vrouw aan de macht! Maar de echte macht, dacht hij glimlachend, zou bij hem liggen.

    In het afgelopen jaar waren al twaalf doden gevallen – twaalf sterke mannen met scherpe zwaarden hadden bruut geweld gebruikt om de toren te bestormen en alle twaalf waren ze bloedig neergehakt door de garde van Bernhard de Beveler. Dit had Karl tot het inzicht gebracht dat sluwheid belangrijker zou zijn dan kracht als hij de Wimpel wou veroveren. Hij zou de bewakers trachten te omzeilen, niet verslaan. De dag dat hij niet langer ‘Kromme Karl’ zou zijn, maar ‘Karl de Krachtige’, was aangebroken.
     
    #
     
    Arianne sloot haar ogen en keerde terug naar het hier en nu. Ze stond in de troonzaal naast Bernhard en zakte trillend in de stoel die voor haar was klaargezet. Haar gezicht en rug waren bezweet, haar handen ijskoud.
    ‘Wel?’ vroeg de heerser ongeduldig.
    ‘Zijn naam is Karl, heer Bernhard.’
    ‘Karl?’
    De heerser trok zijn bossige wenkbrauwen samen en drie rimpels golfden zijn voorhoofd.
    ‘Ik ken geen Karl.’
    Arianne knikte en beschreef het visioen van de onopvallende, schuin lopende vlezer die ervan droomde heerser te worden.
    ‘Denkt hij echt dat hij een kans maakt?’ schertste Bernhard, maar na het zien van Ariannes uitdrukking veranderde zijn toon. ‘Werkelijk? Die simpele mens?’
    Arianne streek haar lange, donkerrode gewaad plat en stond op van de stoel.
    ‘Net daarom, heer Bernhard, omdat hij simpel is. Hij is niet groots, hij is niet machtig, hij valt niet op. Niemand verwacht dat iemand als hij een poging zal wagen, dus niemand zal hem verdenken  van zulk risicovol gedrag. Hij kan bij wijze van spreken simpelweg binnenwandelen.’

    Arianne liet de verbouwereerde heer achter in zijn gouden troon, beende de zaal uit en grinnikte. Uiteraard was de kans niet groot dat deze ‘Karl’ tot in de toren zou raken, maar ze haalde er plezier uit om Bernhard ongerust te maken. Ze beklom de wenteltrap tot ze helemaal boven kwam, in de ronde kamer waar de Wimpel was, en daar haar plaats opnieuw innam als bewaker. Er wachtte een zilveren wolf naast haar houten zetel. Arianne streek met een afwezige beweging over zijn kop en staarde naar de Wimpel vanuit de harde zitplaats. Het ongemak van het zitvlak en de stekelige armleuningen hielden haar alert tijdens haar wacht. Ondanks hun bewezen nut vertrouwde ze de bewakers uit Bernhards garde niet volledig. Ook zij konden het in hun hoofd halen de Wimpel te stelen en Arianne wist als geen ander hoe makkelijk mannen bedwelmd werden door de belofte van allesoverheersende macht. Daarom was zij het ultieme obstakel voor dieven en schurken. Zij, haar magie en haar wolf. 

    ‘Karl,’ mijmerde ze, ‘wat zou een simpele leerlooier als hij bedenken om hier binnen te raken?’ De wolf likte zijn pels schoon en het zilver weerkaatste in de spiegel die aan de wand hing tegenover hen. Arianne bekeek zichzelf erin, haar eigen blik kaatste terug: de sluier van magie, de scherpe schouders, de vastberaden mond en daarachter de twijfel. Zou iemand als Karl anders regeren? Of zou de Wimpel ook hem bederven, zoals het bij zo velen had gedaan? ‘Hij zou alvast niet gruwen van het idee van een vrouw aan de macht als ik zijn gedachten mag geloven.’ 

    Ze diende de huidige Wimpelaar, Bernhard de Beveler – of de Barbaar zoals ze hem stiekem noemde – al meerdere jaren en was over het algemeen teleurgesteld in zijn capaciteiten. Bernhard had destijds indrukwekkende leiderschapskwaliteiten vertoond toen hij de Wimpel kwam roven uit het kasteel van Làrde. Hij was moedig, empathisch en zijn garde keek naar hem op. Helaas, zoals bij alle Wimpelaars voor hem, daalde de macht naar zijn bierbuik – en lager – kort nadat hij de Wimpel had verworven. Alleenheerser zijn maakte mannen lui, ze vonden het niet meer nodig om voor hun volk te zorgen of te strijden voor hun idealen – ze wilden uitsluitend eten, zuipen en neuken, het liefst alle drie tegelijk, zoals tijdens Bernhards beruchte banket-orgieën.

    Het bleek geen zwakte van de rijken te zijn, dit wegzakken in egoïsme en hedonie; de Wimpel had ook bezitters gehad van lagere stand. Zelf smids, kunstenaars, filosofen en penningmeesters bleken na een maandje met een kroon op hun hoofd even onverschillig tegenover armoede en geweld als elke andere man.

    Het was haar taak als magiër om een waardige heerser te vinden voor dit land. Haar orde der magiërs vertrouwde haar om stabiliteit en rechtvaardigheid te handhaven, net zoals haar medemagiërs deden elders. Als ze hun brieven mocht geloven, was ze niet de enige die moeite had met deze opdracht. In Isilië vochten de edele mannen bijna dagelijks onderling om meer macht te vergaren en in Krillàn werden heersers jaarlijks vermoord door hun familieleden. Arianne was zo listig geweest de macht toe te wijzen aan een object in plaats van een mens. Mensen waren zo makkelijk uit te moorden en zo moeilijk te beschermen; ze hadden altijd hun eigen willetje. Wimpels, daarentegen, kon je in een toren plaatsen en daar houden zonder dat ze zich een makkelijk doelwit maakten door elke nacht met een vreemde in bed te liggen. Vandaag was het een vlezer, morgen was het misschien een muzikant of de hofnar. De drang naar macht was oneindig voor mensen.
    Misschien zou het een interessant experiment zijn om deze zielepoot aan de macht te zien, bedacht Arianne. Iemand die heel zijn leven heeft gevoeld hoe het is om uitgesloten te worden en vernederd en benadeeld, zou misschien een inzicht hebben dat anderen niet hebben: dat niemand het verdient om zo behandeld te worden. Zou hij de lokroep van het egoïsme kunnen weerstaan?

    Daarbij begon Bernhard haar te irriteren; waar hij in het begin ontzag had voor haar en haar magie, steeds om haar advies vroeg en haar aanbevelingen ter harte nam, had hij zich nu in het hoofd gehaald dat hij effectief de machtigste persoon in dit land was. Onlangs had hij gedreigd haar wolf te verbannen omdat ze weigerde een gouden balzaal te toveren voor hem. Na haar scherpe waarschuwing dat haar magie niet bedoeld was voor herdecoratie-projectjes had hij haar weggewimpeld met zijn hand. De woede kolkte nog steeds in haar borstkas als ze eraan dacht.
    ‘Ja, misschien is het tijd voor een nieuwe heerser.’

    Glimlachend sloot ze haar ogen en concentreerde zich. In haar geestesoog vormde zich opnieuw de figuur van Karl, de strompelende, gejaagde man die zich verstopte voor een garde bewakers op zijn weg naar de toren van het Topplerschlösschen. Hij droeg een krioelende zak met zich mee – hoogst interessant. Arianne volgde zijn bewegingen; hij was inderdaad bijna onzichtbaar. Hij speelde met onderbelichte hoeken en verstopte zich in nissen en kon zo stil staan als een standbeeld wanneer de garde voorbij kwam. De bewakers, gewaarschuwd door Bernhard de Beveler over het dreigende gevaar, keken aandachtig rond zich, spiedend naar elke menselijke figuur die de verwachte vijand kon zijn, maar hun vizier beperkte hun zicht en het kletteren van hun harnas verried hun positie bij elke stap.

    Tot haar verbazing lukte het Karl, ondanks zijn beperkingen en zijn wandelstok om voorbij de wachten te sluipen, de kasteeldeuren door. Hij verdwaalde even in de oostelijke vleugel van het kasteel en kroop nipt op tijd achter een borstbeeld van Bernhard toen raadsman Vlieder de eetzaal verliet, maar vond uiteindelijk de ingang naar de toren. Eenmaal op de trappen loste hij een kolonie ratten als afleidingsmanoeuvre en glipte als een waggelende schaduw voorbij de onthutste bewakers.

    Ariane opende haar ogen toen hij de deur bereikte naar de ronde kamer; een seconde later stond Karl te gapen naar de Wimpel. Hij was er zo door betoverd dat hij haar eerst zelfs niet leek op te merken. De gloed van de zilveren wolf trok uiteindelijk zijn aandacht en bij het zien van de grote, scherpe tanden in de hijgende bek drukte hij zich angstig tegen de muur.
    ‘Dag Karl,’ zei Arianne geamuseerd.
    Hij wierp heel snel een blik op haar, alvorens zich opnieuw te focussen op het beest.
    Arianne hield haar hand op en haar wolf ging liggen en stopte met grommen, wat de man enigszins gerust leek te stellen. Hij kon alsnog niet op woorden komen om Arianne aan te spreken, maar liet zich zakken tot op de grond en knielde voor haar. Zo slim was hij dus wel.
    ‘Je bent tot hier geraakt, Karl, en je wil uiteraard de Wimpel.’
    De schrale man keek op en knikte bedeesd.
    ‘Vertel me dan, Karl, waarom je denkt dat je een goede heerser zou zijn?’
    Zijn mond viel open, zijn voorhoofd rimpelde. Hij was even sprakeloos, net zoals alle Wimpeldieven die hem waren voorgegaan.
    Na een korte stilte antwoordde hij.
    ‘Ik ben slim?’
    Het klonk eerder als een vraag dan een mededeling. Arianne zuchtte teleurgesteld en bleef hem aankijken, hopend op iets meer. Tot haar vreugde herpakte hij zich, alsof hij zich plots herinnerde dat hij hier wel al over had nagedacht.
    ‘Machtige vrouwe, ik weet wat het is om te leven in dit land. Ik ken alle diepe, duistere geheimen van mijn volk. Ik weet waar de armen kruimels rapen als de prijzen stijgen van het brood. Ik weet welke geneesheren nepremedies verkopen aan torenhoge prijzen. Ik heb gespeeld met de wezen op straat en ben verjaagd door de kasteelgarde samen met de misvormden en de zieken. Ik weet welke mannen hun vrouw en kinderen slaan en ik weet welke vrouwen hun man vergiftigen. Ik ken de aarde van ons land, de stenen waarmee we onze huizen bouwen, ik ken het vuur dat ons eten bakt en het vlees dat onze magen vult.’
    Arianne knikte en haar ene mondhoek trilde.

    ‘Weten is één ding, je moet er ook iets aan doen.’
    Karl twijfelde, wreef het vettige haar uit zijn ogen en knikte dan vastberaden.
    ‘Als ik de kans krijg, edele vrouwe, dan zal ik elke dag van mijn heerschappij wijden aan het verbeteren van dit land.’


    Hij leek oprecht, vond Arianne, een volksheld in wording. De intentie om het goed te doen was er alvast, maar of hij zijn belofte kon vervullen, daar was ze niet zeker van. Veel slechter dan Bernhard de Barbaar kon het niet worden. Ook hij had gezworen om voorspoed te brengen, om een voorbeeld te zijn voor zijn volk. Ze kon niet alle mannen over dezelfde kam scheren, toch? Minstens één zou moeten deugen.


    Arianne stond op uit haar splinterige zetel en gebaarde plechtig naar de Wimpel. Met één oog op de wolf hobbelde Karl ernaartoe, aarzelde heel even, maar greep dan de blauw-wit geblokte stof met twee gretige handen.
     
    #
     
    ‘Karl de Krachtige’ noemde hij zichzelf. Hij joeg Bernhard het kasteel uit en verving de oude garde door een nieuwe die hij beval om armen, zieken en beperkten te helpen in plaats van ze te verjagen. Op aanraden van Arianne werd wekelijks voedsel bedeeld aan de mensen uit de stad die het zich niet konden veroorloven. Ze maakten plannen om het oogsten te verbeteren, de wetenschap verder te ontwikkelen, zieken te helen en criminele activiteiten te verlagen.


    Arianne schreef brieven naar haar mede-magiërs waarin ze vol lof sprak over de gebroken, arme man die ze heerser had gemaakt. Eindelijk had ze ontdekt wat van een man een goede leider maakte: hij kwam uit de allerlaagste rang van de samenleving. Hij had het ergste van de wereld gezien en zich alsnog gewijd aan het verbeteren ervan.


    Waar ze geen rekening mee gehouden had, waren Karls soms eigenaardige ideeën over hoe een betere wereld eruit zou zien. Hoewel hij empathisch was tegenover de meeste kwetsbaren in zijn land, was hij niet vergevingsgezind voor de mensen die hem zijn leven lang slecht behandeld hadden. Diep vanbinnen was hij bitter en wraaklustig. Kromme Karl kon niets met die gevoelens, hij was afhankelijk van het medelijden van anderen. Karel de Krachtige, daarentegen, was de bezitter van de Wimpel, en kon zijn wil aan iedereen in zijn land opleggen.


    Arianne keek vanop het balkon boven de troonzaal met lede ogen toe hoe nog een dozijn gespierde mannen gebonden en bebloed over de vloer voor de troon gesleept werden. Het waren de laatste leerlooiers, zij die gevlucht waren toen ze hoorden wat er met hun kompanen was gebeurd. Ze mankten en kreunden van pijn. Karl stond voor hen, zijn silhouet groot in het zonlicht dat door de hoge ramen viel, een gouden kroon op zijn vers gewassen lokken. Zijn mondhoeken krulden en zijn ogen glinsterden. In diezelfde ogen waar Arianne dacht kracht en mededogen gezien te hebben, zag ze nu de verblindende gloed van absolute macht.


    ‘Zij hebben mij gebroken.’
    Karl de Krachtiges stem was koud en hard en vulde de zaal.
    ‘Zij lachten met mijn gebreken, ze vernederden me, belogen en bedrogen me. Laat ze voelen wat ik voelde, laat ze doorstaan wat ik heb doorstaan.’
    De toeschouwers juichten toen de bevelen klonken.
    ‘Maak ze kapot!’
    ‘Sla ze dood!’


    Arianne draaide zich om en onttrok zich aan dit wrede schouwspel van Karl – Karl de Krankzinnige. Ze zuchtte diep, schudde haar hoofd en slofte de wenteltrap op.


    Samen met de scheenbenen van de veroordeelden werd ook haar hoop op een betere toekomst voor dit land verbrijzeld. De schreeuwen van de leerlooiers overstemden het gegil van het publiek. Geen enkele man kon weerstaan aan de macht van de wapperende gouden cirkel op de blauw-wit-geblokte Wimpel. Geen enkele.


    Het verhaal vind je ook hier: https://ootw-magazine.weebly.com/fiction/finn-audenaert-en-jo-neels-de-wimpel

    Bedankt aan Finn Audenaert voor deze fijne samenwerking! Lees meer verhalen van Finn via https://sfcafeleuven.jouwweb.nl/archief-2/verhalen

  • Nog één uur

    Nog één uur

    Nog één uur is een kortverhaal over het kerstfeest van een rijke, toxische familie. Het hoofdpersonage neemt zich voor dat ze nog slechts één uur moet volhouden alvorens ze kan vertrekken. Ze beschrijft de gebeurtenissen tijdens dit laatste uur van het feest en reflecteert op haar familieleden, waarbij ze hen vergelijkt met verschillende dieren. Na dat ene uur is ze eindelijk vrij om te vertrekken – hopelijk voor de laatste keer?

    Dit kortverhaal is een fictieverhaal met thema’s als mentale gezondheid en familiedrama.
    Triggerwarning: alcohol, druggebruik, seksueel grensoverschrijdend gedrag.

    Dit kortverhaal werd geselecteerd door Verhaalvandemaand tijdens de maandelijkse wedstrijd in april 2025. Het verhaal won de 2e plaats en is te vinden op de website van Verhaalvandemaand.

    Een geweldige illustratie werd gemaakt door illustrator Annorah van Kreijl uit Zeist om het verhaal te vergezellen op de website:

    © Annorah van Kreijl en Verhaal van de Maand

    Bedankt aan alle juryleden, alle lezers en Annorah!

    Hieronder vind je de volledige tekst:

    Nog één uur

    De flits gaat af en ik ontspan mijn kaken.

    “Nog één voor de zekerheid,” roept mijn moeder, wat tot gemor leidt van de groep mensen voor de kerstboom. “Jawel, jawel,” eist ze, “zonder gezaag, 3, 2, 1,” de flits gaat opnieuw.

    De arm van mijn vader over mijn schouder verdwijnt, de arm van mijn zus rond mijn heup ook. De perfecte familie valt als porselein uiteen. Mijn moeder spoedt naar de camera en prijst de foto’s tegen mijn vader, die amper luistert en met zijn blik en gedachten al bij de doos sigaren zit waar hij mee moest wachten tot na de familiefoto’s. Tante Romée en nonkel Aster kruipen als spinnen in de hoek bij de zetel waar ze hun web weven van roddels en aan hun glazen porto nippen. Mijn broer is al verdwenen uit de ruimte, samen met mijn neven. Mijn oma vlijt zich in de fluweelgroene canapé onder een portret van zichzelf, olie op doek, geschilderd door een bekende kunstenaar.

    Toen ik hier woonde werd dat schilderij van de muur gegrist en in de kelder gestockeerd zodra dat het laatste familielid de drempel van de voordeur over was. Zo hard haatte mijn vader de hooghartige blik in de olieverf ogen die nu perfect gedupliceerd wordt in de originele exemplaren eronder.

    “Lydia,” roept mijn oma vanuit de zetel, “Lydia, ik denk niet dat Florentine er goed op staat, dat roze hemd is zo onflatterend.” Tante Florentine glimlacht zuur en zoekt snel een excuus om weg te raken. “Is de wijn op?” mompelt ze en glipt dan snel langs mijn ouders de kamer uit richting de keuken. Ik glimlach als ik denk dat ze zo dadelijk haar kinderen zal betrappen op het snuiven van witte poedertjes en het doorspoelen van de bittere nasmaak met dure whisky. Ik hoop stiekem op een dramatische vertoning, een gil gevolgd door harde woorden van haar man en een huilbui met veel zelfmedelijden. Helaas, ik weet nu al dat ze halsstarrig de andere kant op zal kijken, het is een familietrek. Vroeger op de kerstfeesten zag ik nonkel Aster en mijn vader ook zakjes en doosjes uitwisselen en toen gingen ze ook samen naar de keuken voor een poos terwijl hun vrouwen vrolijk verder keuvelden. De mannen waren nadien altijd onstuimiger en handtastelijker en als ze me in hun uitgelaten staat te dicht op hun schoot trokken keek mijn moeder ook halsstarrig de andere kant op. Ik zou denken dat ze haar nek bijna niet meer kan bewegen na al die jaren, maar ze is nog steeds soepel genoeg om haar kop in het zand te steken wanneer het haar uitkomt.

    Ik kijk op mijn gloednieuwe, gouden horloge. Ik moet nog één uur in deze jungle overleven en dan is het voorbij. Het laatste uurtje van het kerstfeest is per traditie het wildste. Nu de foto’s genomen zijn, mogen de gebarsten maskers even afgezet worden. Ik strijk de plooien in mijn zilveren rok glad en zit stil als een marmeren sculptuur. Ik leerde door de jaren heen dat ik in deze familie iets moet zijn om te bewonderen, iets om te complimenteren en dan vooral iets dat makkelijk te negeren valt. Daar ben ik uitzonderlijk goed in geworden, een stuk beter dan tante Florentine alleszins.

    Alsof ik het luidop gezegd heb, ploft mijn vader naast me neer in de zetel om zijn sigaar aan te steken en legt hij zijn hand op mijn bovenbeen. Hij fluistert in mijn oor dat ik zo’n goede dochter ben, nooit problemen gehad met mij. Ja, dat moet inderdaad handig geweest zijn voor hem, denk ik. Ik beweeg niet tot zijn hand weer verdwijnt en het wolkje sigarenlucht in mijn oor oplost.

    Een luid gekletter schrikt iedereen op. Mijn moeder en vader lopen in paniek richting de keuken en ik hoor haar roepen, “mijn zilverwerk, Adammeke, pas toch op!” en “wat moet jij nu toch met mijn schone plateau, dat is een erfstuk van mijn betovergrootmoeder.” Ik glimlach om haar naïviteit.

    “En jij, Claudine, heb jij nog geen vriend?” Ahh, verdorie, ik heb even niet opgelet en nu ben ik de enige in de woonkamer samen met mijn oma, wat een beginnersfout. Elk lid van deze familie heeft een unieke aanvalstechniek. Mijn oma is als een schorpioen en valt haar prooi aan met haar giftige angel. Haar man was een python die zijn kinderen en zijn huwelijk langzaam verstikte. De schorpioen overleefde de python uiteindelijk.

    “Nee, oma, nog niet.”

    “En waarom? Jij bent toch vrij slim, knap genoeg als je nog wat afvalt? Toen ik jouw leeftijd had, moest ik de aanbidders van me afslaan, zeker als ze wisten van welke familie ik kwam!”

    Ik lach kort en excuseer mezelf om naar het toilet te gaan. In de hal blijf ik treuzelen. Ik bekijk de statige portretten van vroegere familieleden en vraag me af hoe hun kerstfeestjes waren. De kristallen kroonluchter was toen zeker ook al een pronkstuk. Ik open een lade in de halkast en streel de collectie Hermès sjaaltjes van mijn moeder. Als ik zou willen, dan kon ik een hele berg dure spullen stelen, maar in dit huis is er niets dat ik wil hebben. Ik fantaseer over het verstoppen van mijn moeders diamanten oorbellen in de kringwinkel of de bibliotheek en hoe vreselijk ze het zou vinden als ze in handen kwamen van een doodgewone vrouw. Alleen al daarom overweeg ik ze te jatten, maar dan hoor ik een luide lach en zie de weggeglipte familieleden tevoorschijn komen uit de keuken met jeukende neuzen en volle flessen wijn. Ik volg de parade tot in de woonkamer, waar ik weer standbeeld kan spelen, nog een half uur, en dan is het voorbij.

    Dit is de laatste fase, waar iedereen onder één of andere invloed is. De tantes beginnen kerstliedjes te kwelen, terwijl de nonkels discussiëren over investeringen. Mijn leeftijdsgenoten kibbelen over cadeaus en mijn oma klaagt dat ze eenzaam is nu haar man er niet meer is, ook al weet iedereen dat ze hem haatte. In zijn laatste jaren kwamen meerdere vrouwen naar voren die hem beschuldigden van grensoverschrijdend gedrag. Ik herkende me in elke aanklacht, ook al werd hij geen enkele keer veroordeeld.

    Als een hol, bronzen beeld sla ik mijn familie gade. Ik weet dat ze nooit een kans hebben gehad. Ze zijn geboren uit roofdieren en ze zijn niet slim genoeg om verder dan dat te evolueren. Het zit in hun genen en niemand ontsnapt eraan, zelfs ik niet. Ik ben een ekster: intelligent, maar wraakzuchtig en niet bang om me te keren tegen mijn eigen soort.

    Nog een kwartier.

    Ik drink van mijn witte wijn, is dit het vierde of vijfde glas? Ik probeer me ook de goede momenten te herinneren, echt, ik doe mijn best. In de zomer speelden we met de kinderen uit de buurt en gingen we op zoek naar schatten in de tuin. Op zondag aten we boterkoeken van de bakker om de hoek. Soms knuffelde mijn moeder me in mijn bed en streelde ze mijn haar. Ze huilde zacht en fluisterde dat ze me zou beschermen, maar als ik smeekte om de sleutel van mijn kamerdeur, zodat ik ‘s nachts mijn deur op slot kon doen, zei ze dat ze niet wist waar de sleutels waren. De dag dat ik vertrok was de dag dat ik de sleutel in haar nachtkastje vond.

    Nog 5 minuten.

    Ik sta op en loop de uiteinden van het huis af. Ik aai de dure lijsten en de indrukwekkende wandtapijten. Mijn jas en handtas vind ik in de bezemkast in de inkomhal en ik vis een valium uit het binnenzakje van mijn kleine Birkin. Dit was de laatste keer, neem ik me voor, als ik het pilletje doorslik met mijn laatste slok wijn. Ik klem mijn autosleutel in mijn hand, open de zware deur en adem de koude nachtlucht in.

    ***

    ©Fictionbyjo

  • Enkel jij

    Enkel jij

    ‘Enkel jij’ is een kortverhaal over een demonische prinses en haar moeder, de koningin van Mount Misery en alles eromheen. Volgens haar moeder is ze de favoriet van de vier kinderen. Ze is dankbaar en gretig om te bewijzen dat ze later de troon en de kroon waardig is. Als ze aankondigt dat ze gaat trainen bij de Predatory Platoon, onthult haar moeder dat ze niet de troonopvolger is en dat ze nooit van plan was om haar de volgende koningin te maken. Haar enige levensdoel als prinses is om voor haar koningin te zorgen. Deze openbaring brengt veel verdriet en nieuwe inzichten voor de dochter, die een ingrijpende beslissing neemt.

    Just you is een horror/fantasieverhaal met thema’s als mentale gezondheid en existentiële angst en bevat een vleugje magie.

    Het korte verhaal ‘Just you’ is gepubliceerd door Elegant Literature in hun tijdschrift ‘Wicked Wonderland’ #027 in januari 2024. Om het hele tijdschrift te lezen, ga naar Elegant Literature.

    In 2025 vertaalde ik het kortverhaal zelf naar het Nederlands om in te zenden voor het magazine van EdgeZero.

    Met behulp van redactie van Finn Audenaert, werd de Nederlandstalige versie van dit kortverhaal gepubliceerd in het Out Of This World online magazine: https://ootw-magazine.weebly.com/fiction/jo-neels-enkel-jij in februari 2026.

    Enkel jij

    Op zeldzame gelegenheden deelt Hare Koninklijke Hooghartigheid complimenten uit, zoals wanneer haar monsterlijke appetijt gestild is. 

    ‘Ik wilde er nooit vier,’ smakt ze terwijl ze het laatste stuk taart in haar mond propt, ‘ik was tevreden geweest met één.’
    Ze wijst met een knokige vinger naar me: ‘Enkel jij.’

    De woorden weerkaatsen in de marmeren troonzaal en ontsnappen langs de fakkels uit de hoge, rode glasramen in de zijwanden. Buiten hoor ik de wind huilen rond de top van de Barre Berg, maar binnen overheersen de slobberende geluiden van de koningin, die jam uit een bijna lege dessertschotel likt. Op de tafel naast haar staan lege kopjes, borden en schalen en de vloer is bezaaid met afgekloven karkassen van geroosterde dodo’s. Haar spiegeljurk is besmeurd met kruimels en plakkerige substanties. Ik zie mijn groene haren en rode ogen gereflecteerd in de bewegende scherven aan de onderkant van de jurk en ik glimlach.

    Ik ben haar favoriet.

    De koningin boert luid en gooit de aarden schotel door de kamer. Hij breekt in stukken tegen de dikke hoofden van mijn kibbelende, onoplettende broers. Ze delen één lichaam, maar Hare Hooghartigheid telt hen toch als twee kinderen omdat het hoofd eruit persen het lastigste deel is van een geboorte en ze het voor hen twee keer moest doen. Mijn broers jammeren, wrijven over hun reusachtige voorhoofden en verdwijnen dan snel in de trappenhal.

    De koningin knort van plezier: ‘Een prachtig schot! Tien punten, vijf voor elk hoofd!’ Mijn broers zijn sterk, maar ze zijn zo dom als kwijlende baby’s en onze moeder geniet ervan hen publiek te vernederen.
    Ze ploft haar voeten op een rode fluwelen voetenbank en glimlacht naar me.

    Ik bewonder haar, aanbid haar, net als mijn vader deed.

    Mijn vader vertelde me ooit over de eerste keer dat hij haar zag op het slagveld: een machtig wezen dat de hoofden van zijn soldaten eraf rukte, ridders doormidden hakte met haar scherpe klauwen en hun ingewanden opslurpte als spaghettislierten. Hij was op slag verliefd.

    Ik wou dat ik meer op haar leek. Ik ben niet zo hardvochtig als zij, noch zo sterk of gevaarlijk als haar andere kinderen, maar toch houdt ze het meest van mij. Ze ziet mijn potentieel, zegt ze, en ik wil haar bewijzen dat ik bekwaam genoeg ben om ooit koningin te worden van het land.

    Nu ze goed gevoed en goedgeluimd is, grijp ik mijn kans om haar aan te spreken. Ze strekt haar verschrompelde tenen en zakt dieper weg in de fluwelen bekleding, klaar voor een dutje. Ik raap al mijn moed bijeen en verkondig: ‘Moeder, ik wil reizen, vechten in veldslagen en mijn waarde aan u bewijzen!’

    Ze reageert niet, maar haar neus trekt even samen.

    ‘Ik heb alle voorbereidingen getroffen en ik kan morgenochtend vertrekken samen met het Krankzinnige Konvooi, uw eliteleger.’

    Haar ogen vliegen open in woede, haar neusvleugels bollen op en trillen, ze groeit en neemt haar ware Wendigogedaante aan. Ze torent als een donkere schaduw boven me uit en dondert: ‘Hoe durf je!’
    De slangendienaren, die aan weerszijden van de hal gestationeerd staan, panikeren en slikken uit pure angst hun eigen staarten in.

    ‘Wil je je koningin, je moeder verlaten?’

    De troonzaal bevriest, de fakkels doven uit en een donkere mist verzamelt zich rond haar. Mijn keel plakt dicht, mijn ledematen vriezen vast aan de stenen tegels onder me. Ik kan niet meer wegkijken van haar witte, lege ogen, haar scherpe mond, maar ik slaag er nog net in mijn hoofd te schudden. Ik dacht dat ze trots zou zijn, maar ik heb me gruwelijk vergist.

    Met één lange arm gooit ze de eettafel naar de andere kant van de ruimte, waar de borden en het zware hout tegen de wand verbrijzelen. Bruine en rode saus spatten op het wandtapijt, het pronkstuk van de troonzaal. Het geweven tafereel toont de executie van de rebellen die haar heerschappij betwistten.
    Ze krijst in de duisternis van de troonzaal tot haar frustratie eruit is en wendt zich dan tot mij met een meer beheerste stem.

    ‘Je stelt me teleur, ondankbaar kind.’

    Schaamte vult mijn lichaam, de haat in haar ogen schroeit mijn huid en ik krimp in een poging eraan te ontsnappen. Ik klamp me wanhopig vast aan een gelukkige herinnering.

    Ik denk aan hoe ze me naar haar kamer riep nadat mijn vader stierf, tientallen jaren geleden. Ze gaf me bergen snoepgoed en knuffelde me onder de zware dekens van haar hemelbed. We vertelden elkaar urenlang verhalen en fantaseerden dat we samen over het land zouden regeren. Toen ik vroeg: ‘Hou je van mij, mama?’, fluisterde ze in mijn oor: ‘Jij, mijn kleine demon, jij bent de speciaalste. Ik heb je nodig.’ De haren uit haar neusgaten kietelden mijn voorhoofd. ‘Enkel jij.’ Die gedachte maakt me sterker, het is de beste herinnering die ik heb.

    Als Hare Koninklijke Hooghartigheid besluit dat ik genoeg heb afgezien, transformeert ze weer naar een menselijke gedaante en bevrijdt me uit haar verstikkende angstmist. Ze bestudeert haar handen, draait even aan haar gouden ring met rode robijn ter grootte van een kippenei, woelt door haar gigantische, groene bos haar en ziet dan pas hoe ik hijgend en zielig op de grond lig.

    ‘Vertel me nu eens, kleine demon, waarom zou je zoiets zeggen? Wie heeft je hiertoe aangezet? Was het je verraderlijke zus, of die nutteloze vleeskoppen van broers?’

    Ik schud mijn hoofd, ik heb al jaren niet meer met hen gesproken. Mijn zus vertrok lang geleden, net nadat onze vader stierf. In tegenstelling tot moeder is zij niet eng of monsterlijk, ze is adembenemend mooi. Moeder vindt charme en schoonheid minder belangrijke eigenschappen, maar mijn zus is het dodelijkste monster van ons vieren. Uren heb ik haar bestudeerd, hoe ze alle soorten wezens naar zich toe lokte met haar zielsverpletterende blik, haar hemelsblauwe vel, haar onweerstaanbare kus. Zelfs net voor ze hen heelhuids opslokte, waren ze nog in een trance van gelukzaligheid. Verbluffend wezen, mijn zus, ze had de volgende koningin kunnen zijn, zoals het volk eigenlijk hoopte, maar in de plaats daarvan verliet ze ons. Ze bleek een ondankbaar kind te zijn, een nutteloze erfgename.

    Mijn broers zijn er wel nog, maar Hare Majesteit negeert hen meestal, dus doe ik dat ook.

    ‘Afgrijswekkende Koningin, Majesteuze Moeder, wil je niet dat ik leer om te vechten voor ons land en ervaring opdoe in de strijd? Die talenten heb ik toch nodig wanneer ik zelf ooit koningin zal worden?’

    Ik durf niet op te kijken, maar hoor haar vreugdeloze lach. Ze neemt mijn kin in haar klauwen zodat ik haar neerbuigende blik moet aanschouwen en blaast een kus van haar rode lippen naar de mijne.

    ‘Waarom denk je dat jij koningin wordt?’

    Ik ben even sprakeloos, stomverbaasd. Mijn wangen voelen heet en ik stotter: ‘W-… Waarom niet?’

    De woorden ontvluchten mijn mond voor ik ze kan inslikken en nog andere volgen: ‘Je houdt van me en ik ben het enige goede kind, dus er is niemand anders. Ik kan het, moeder, op een dag, met wat training …’

    ‘Genoeg,’ beveelt ze en slaat me in het gezicht.

    Mijn ogen vullen zich met tranen, maar ik dwing ze terug. Ik mag niet wenen, ik mag niet zwak zijn.

    ‘Ik heb geen opvolger nodig,’ vervolgt ze, ‘kinderen zijn de knoopsgaten die hun ouders bij elkaar houden, kleine demon, dat is het enige waarvoor ze dienen. Gelukkig ben ik je enige ouder, dus ik heb maar één kind nodig.’

    Ze glimlacht terwijl ze naar de reusachtige gouden knoop wijst die op de voorkant van haar spiegeljurk genaaid is. Ik staar naar de knoop die haar ruime boezem wanhopig bijeenhoudt aan een paar dunne draden en denk: ‘Is dat het enige waarvoor ik dien?’

    De slangendienaars ontvriezen uit hun angststaat en kokhalzen terwijl hun staarten langzaamaan weer verschijnen uit hun keel. Hun hoeden staan scheef en de kettingen rond hun staarten druipen van speeksel en gif. Hare Koninklijke Hooghartigheid kijkt er afkeurend naar en is even afgeleid van mij en mijn kersenrode wang.

    ‘Ik dacht dat je me nodig had, moeder.’

    Ze staart me boosaardig aan.

    ‘Jouw enige levensdoel is om er voor mij te zijn. Heersers in dit land grijpen hun macht, ze krijgen ze niet cadeau.’

    Ik weet dat ik moet zwijgen, maar ik kan me niet inhouden: ‘Maar u heeft ze gekregen na vaders dood, u heeft ze niet genomen, u bent erin getrouwd.’

    Mijn gezicht vangt nog een rake klap, deze keer van de vuist met de gigantische robijn. Het bloed gutst uit de put die hij boven mijn oog achterlaat.

    ‘Jij idioot. Jouw vader was zwak en incompetent en ik nam hem zijn kasteel af, zijn titel en zelfs zijn leven. Iedereen weet dat, zelfs je broers en zus weten dat. Jij bent de enige die te dom is om dat te beseffen. Je bent precies waar je hoort te zijn, één stap onder me, opkijkend naar je koningin, voor altijd.’

    Ik kan de tranen niet meer stoppen, ik huil en ik zie hoe ze walgt van me. Bloed en tranen stromen over mijn gezicht, besmeuren mijn kledij, bevlekken de vloer. Ze beveelt me te stoppen, maar dat kan ik niet. Ik voel mijn hart breken, mijn ingewanden openscheuren, mijn huid branden. De troonzaal staat ondersteboven en ik hang naast de kroonluchter en schreeuw, snik, huil en kreun tot ik leeg ben. Leeg en alleen op de stenen vloer.
    Vroeger was ik zo bang om alleen te zijn in dit gruwelijke land waar monsters heersen en het leven niets betekent. Nu besef ik eindelijk dat ik altijd al alleen was. Ze heeft gelijk, ik ben niet sterk of adembenemend mooi, maar ik ben loyaal en liefhebbend. In een land waar de waanzin overheerst, zijn loyaliteit en liefde uiterst waardevolle aanwinsten.

    Ik sluip weg als de ochtendvorst het kasteel bedekt. Ik alleen, zonder het Krankzinnige Konvooi. De wind snijdt in de rauwe wond op mijn gezicht als ik van de Barre Berg afdaal in de mist van het laagland.

    Ik had haar kunnen vermoorden, ik had haar in haar slaap kunnen neersteken, maar het zou me niet genoeg voldoening geven. Haar gejammer wel. Het hartverscheurende geklaag stijgt op uit het kasteel nu ze ontdekt heeft dat ik haar heb verlaten. Ik hoorde dat geluid al eerder, toen mijn zus ons verliet, daarom wist ik dat dit haar het meeste zou kwetsen.

    Mijn zus blijkt toch geen ondankbaar kind te zijn, integendeel, ze zal een geweldige koningin worden, daar zorg ik wel voor. En ooit zal ik wraak nemen, ze zal zoet zijn als kleverige jamtaartjes en ijskoud geserveerd worden aan jou, moeder, enkel jij.





  • The dollmaker’s derision (De spottende poppenmaker)

    The dollmaker’s derision (De spottende poppenmaker)

    The dollmaker’s derision is een kortverhaal, geschreven in het Engels, over de reis van een pop, ‘Maddie’, naar de oude werkplaats van de poppenmaker, de man die haar lang geleden maakte en tot leven wekte. Tijdens haar reis vertelt ze over haar verleden en haar opvoeding. Wanneer ze aankomt, confronteert ze de poppenmaker en stelt ze zijn keuzes doorheen haar leven in vraag. Het is een fantasieverhaal met thema’s zoals geestelijke gezondheid, existentiële angst en het bevat een magische toets.

    Het kortverhaal ‘The dollmaker’s derision’ werd gepubliceerd in mei 2024 door Elegant Literature in hun online magazine #030 met als thema ‘Stille storm’. Om het hele magazine te lezen, kun je naar Elegant Literature gaan.